Foto van de week 12

Trogulus tricarinatus (foto: André Geelhoed)

Deze week aandacht voor twee in Nederland (zeer) zeldzame geleedpotigen, die allebei voornamelijk voorkomen in rivierengebied. Het gaat om Trogulus tricarinatus en Beekpyjamaspin (Singa nitidula).

Het is bepaald niet moeders mooiste, Trogulus tricarinatus, de kaphooiwagen op de foto van de week. Bovendien valt het beestje bijna weg tegen de achtergrond waarop ze is gefotografeerd. Die onopvallendheid is misschien wel de reden dat er volgens de informatie op Waarneming.nl weinig bekend is over de verspreiding in Nederland. Gedacht wordt dat de soort vooral voorkomt in rivierengebied, waar ze leeft onder stenen, in strooisel en onder rottend hout. Dat is ook de omgeving waarin André Geelhoed het beestje heeft gevonden: bij Pannerden en (zo te zien) op rottend hout. De hooiwagen is bijzonder traag. Het komt haar dan ook goed uit dat ze al net zo trage huisjesslakken op het menu heeft staan.
Eerder deze week vond Vincent Sanders in een ander deel van de Gelderse Poort (de Millingerwaard) een zeer zeldzame wielwebspin, namelijk Beekpyjamaspin. Wat een prachtige naam, niet waar? Zie voor de foto’s de waarneming van Vincent van 18 maart. Deze spin komt eveneens vooral voor in rivierengebied, maar heeft een andere leefwijze dan de eerder genoemde soort: ze maakt een web om haar prooien te vangen in de oevervegetatie, zoals in wilgen of riet.

Om een indicatie te geven van de zeldzaamheid van deze geleedpotigen: op Waarneming.nl hebben 36 gebruikers in totaal 64 waarnemingen van Trogulus tricarinatus genoteerd en 22 gebruikers deden 56 waarnemingen van Beekpyjamaspin. De vondst van Trogulus tricarinatus door André Geelhoed is de eerste voor de Gelderse Poort. De eerdere waarnemingen van Beekpyjamaspin zijn in overgrote meerderheid juist uit de Gelderse Poort met verder enkele waarnemingen ten zuiden daarvan in de uiterwaarden van de Maas.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

Foto van de week 11

Rugstreeppad – Epidalea calamita (foto: Bart Beekers)

Dat het lente wordt, valt niet te missen. Planten beginnen te bloeien, vlinders vliegen rond, amfibieën ontwaken uit hun winterslaap en zijn op weg naar hun paringsgronden. Bruine kikkers (Rana temporaria) bijvoorbeeld hebben al flink hun best gedaan en eiklompen in het water gelegd. Bruine kikkers zijn weliswaar een van de vroegst ontwakende amfibieën en Rugstreeppadden (Epidalea calamita) een van de laatsten, maar ook zij zijn al wakker, zoals te zien is op deze mooie foto vol strepen (sic) van Bart Beekers.
Rugstreeppad, de naam zegt het al, is makkelijk herkenbaar aan de gele streep die midden over de rug loopt. Je vindt dit padje op veel zanderige terreinen. Het is een pionier die snel verschijnt op pas opgespoten terreinen. Met zijn korte pootjes is het een slechte zwemmer, maar een goede graver. Ze overwinteren door zich diep in te graven in het zand. In de Millingerwaard waar veel zandafgravingen zijn, struikel je in de nazomer bijna over de vele, jonge, ongeveer een centimeter grote beestjes. Je ziet dan voornamelijk jonge padjes omdat die overdag actief zijn, hun ouders zijn dat vooral ’s nachts en die kunnen in de paringstijd een flinke keel opzetten. Vrouwtjes leggen eieren in snoeren (kralenkettingen van enkele duizenden eieren) in ondiep water waar de larven zich snel kunnen ontwikkelen en in de zomer het land op kruipen. Het duurt twee à drie jaar voordat de padjes geslachtsrijp zijn. Ze zijn dan circa 3 cm groot.

Afgelopen week zijn wederom heel veel foto’s geplaatst (ruim 1300), waaronder bijzonder mooie die hier helaas geen plaats konden krijgen. Zie bijvoorbeeld de foto van Vincent Sanders van Eikenstuitergalwesp (Cynips longiventris, 12 maart), of die van Wim Langbroek van Piona laminata, een watermijt (12 maart). Verder zijn er zeer bijzondere vondsten gedaan, zoals de al genoemde watermijt. Van de paddenstoelen ontdekte men Rozenzoolspoortje (Pseudomassaria sepincolaeformis) en Schorskogelzwam (Discostroma corticola), en van de korstmossen Geschubd dambordje (Acarospora moenium) en Zachte kalkstippelkorst (Verrucaria hochstetteri), om nog maar te zwijgen over de fotogenieke en bijzondere kevers en andere kleine insecten (te veel om op te noemen).

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

Foto van de week 10

Kleidubbeltandmos – Didymodon fallax (foto: Pieter Korstanje)

Veel lentebloemen beginnen te bloeien. We zagen er al een aantal voorbijkomen in de afgelopen weken, maar nu gaat het toch echt los. Er kwamen deze week bijvoorbeeld veel foto’s bij van Kerspruim (Prunus cerasifera), van Drabasoorten (voorheen allen Vroegeling) en een heel mooie van Gulden sleutelbloem (Primula veris). En wat doe ik dan? Ik kies een foto van een mossoort! Geen bloeiende bloem dus, maar het is een foto van Pieter Korstanje die mij vrolijk stemt, zoals eigenlijk alleen lentebloemen dat kunnen.
Kleidubbeltandmos (Didymodon fallax) is een mos dat houdt van basenrijke klei- en leembodems. Het is daarom niet verrassend dat deze in de Gelderse Poort wordt aangetroffen. Het eerste deel van de naam verwijst daar ook naar. Ik heb geen idee wat ‘dubbeltand’ betekent, maar mooi vind ik de naam zeker.

Deze week zijn wederom heel bijzondere vondsten gedaan, waaronder een superzeldzaam mos, dat we niet kunnen tonen omdat het onder embargo moest komen te staan. En werd bekend dat een eerdere waarneming van een insect wel eens een soort kan zijn die al decennialang niet meer in Nederland is gezien. Het gaat hier om een Wintersteenvlieg (Taeniopteryx spec.), maar welke het precies is, wordt nog onderzocht.
Ga jij ook snel het veld in? Wie weet, vind jij iets heel bijzonders en valt jou eeuwige roem ten deel, of maak je een mooie foto van een ‘gewoon’ diertje of plantje en vind je die dan als foto van de week terug op deze site.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

Februari: Stilte voor de storm.

Februari behoort samen met November tot een van de minst dynamische maanden van het jaar. Alles wat je in Februari kunt zien, had je ook al in januari kunnen zien. Niettemin waren er in februari toch echte klappers. Wat de te denken van de Gewone Zeehond, die op de terugtocht van Duisburg naar de Noordzee pas bij de spoorbrug in Nijmegen werd opgemerkt. Hij moet kort daarvoor door de Gelderse Poort gezwommen hebben. De eerste golf Kraanvogels kondigde eind februari het voorjaar aan en de zon wint aan kracht waardoor insecten hun schuilplaatsen verlaten.

Aantallen
In januari waren al 1344 soorten gezien. In februari steeg het aantal door naar 1562. Dat is al ruim 31% van het doel van 5000 soorten in de eerste twee wintermaanden. Maar het mag duidelijk zijn, de lente is nodig om weer veel nieuwe soorten te kunnen ontdekken.

Nieuwe soorten voor de Gelderse Poort
In februari werden in totaal 64 soorten gemeld die nog nooit in de Gelderse Poort gemeld waren. De meeste soorten, die nieuw gemeld worden, betreffen kleine beestjes, paddenstoelen, weekdieren, mossen en korstmossen waarbij regelmatig een microscoop nodig is. Een mooi zeer zeldzame en zeer lokale soort, de Late Meidoornspanner zat bij het lampje bij de ingang van het kantoor van SBB in de Groenlanden. Een nieuwe soort als de Huisspringspin werd voor het eerst gemeld, maar is waarschijnlijk geen zeldzaamheid, maar is eerder onopvallend voor de meeste waarnemers. 

Figuur 1. Verdeling nieuwe soorten over soortgroepen.

Verdeling over soortgroepen
De verdeling over de soortgroepen is in februari nauwelijks veranderd. Het is immers nog winter en dezelfde soortgroepen laten zich maar beperkt of helemaal niet zien. Dat in de winter veel naar mossen en korstmossen gekeken wordt, is bekend, maar ook van veel plantensoorten zijn nog exemplaren te vinden.  Naast mossen en korstmossen is de winterperiode ook een goede periode voor het zoeken naar weekdieren en geleedpotigen. Figuur 2 geeft de verdeling weer voor wat gezien is tot en met februari.

Figuur 2. Verdeling soorten over soortgroepen.

Op naar de 5000!
Om in 2022 de 5000 soorten te zien, moeten we 75% van het totaal aantal ooit waargenomen soorten zien. Op 28 februari stond de Bioblitz teller op 1614 soorten. Dit is 32,3% van het einddoel 5000. Figuur 3 laat zien welk deel van de soorten bij een soortgroep al gezien zijn. Vanzelfsprekend is dit percentage bij vlinders, sprinkhanen en libellen heel laag. Bij mossen en korstmossen en ook zoogdieren is echter al een groot deel van de buit binnen.  Tot medio maart zal de aandacht ongeveer hetzelfde blijven. Zodra het voorjaar begin krijgt, zal de focus snel verschuiven en zullen andere soortgroepen zich aandienen.

Figuur 3. Aandeel al gezien per soortgroepen.

Foto van de week 9

Dwergcicade – Idiocerus vicinus? (foto: André Geelhoed)

Het is nog niet 100% zeker, maar als het beestje op de foto echt Idiocerus vicinus blijkt te zijn, dan is dat alweer een bijzondere waarneming in de Gelderse Poort. In Nederland is nog maar van een handvol waarnemingen van deze dwergcicade vastgesteld. Deze soort leeft zowel als larve en imago op hun waardplant.

Deze dwergcicade van de familie Idiocerinae lijkt sterk op een aantal andere familieleden, en is daarom weer eens lastig van foto op naam te brengen. Het kleine spateltje aan het uiteinde van de voelspriet is kenmerkend voor het genus Idiocerinae onder de cicaden. Hier duidelijk zichtbaar, dus de familie is zeker. De soort wordt, naar verluid, vooral verward met I. lituratus, maar die overwintert niet als imago, dat zou wijzen op I. vicinus, want die doet dat wel. Verder is de soort voor het voedsel (waardplant) afhankelijk van Bittere wilg (Salix purpurea), en die komt inderdaad voor in de uiterwaarden van de Gelderse poort (al staat deze nog niet in de 5000-soortenlijst). De overwinterende adulte beestjes kunnen echter op heel diverse plaatsen aangetroffen worden, pas in het vroege voorjaar zoeken ze hun waardplant weer op. Het is dus even afwachten wat de kenners hierover zeggen, maar leuk is de waarneming van André zeker.

Het was verder de week van de terugkerende kraanvogels (ook daarvan zijn mooie foto’s gemaakt), maar bovenal de week van de zeehond die door de Waal en dus de Gelderse Poort is gezwommen. Zijn komst was al aangekondigd nadat hij in Duisburg was gespot, maar dat maakt de waarneming niet minder bijzonder: een zeehond in de Waal! Wat gaat ons dit jaar nog meer brengen? Ik ben benieuwd.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

Foto van de week 8

Pijlstaart – Anas acuta (foto: Rico Otten)

De eerste Kraanvogels zijn gearriveerd, de eerste vlinders vliegen (Citroenvlinder, Dagpauwoog, Atalanta en Kleine Vos). Hét signaal dat de lente begint. Heerlijk. Dat betekent ook, dat zo langzamerhand de wintergasten onder de vogels ons land gaan verlaten. De naar mijn mening mooiste wintergast onder de eenden is de Pijlstaart (Anas acuta). Het zijn sierlijke vogels met een fraaie tekening (de mannetjes) en een relatief lange nek. De vrouwtjes zijn, zoals gebruikelijk bij eenden, minder opvallend getekend en gekleurd. Zij lijken wel wat op Wilde eend (Anas platyrhynchos). De mannetjes zijn echter onmiskenbaar met hun lange, spitse, zwart-witte staart, zoals te zien op de foto. We zetten hem deze week in het zonnetje, want al over een paar weken zal hij naar de broedgronden in het Noorden zijn vertrokken.

Het gebied waar de Pijlstaart broedt strekt zich net uit tot Nederland, maar het aantal paren dat hier daadwerkelijk broedt is zeer gering. De soort staat op de Rode Lijst. Helaas wordt hij buiten Nederland nog altijd flink bejaagd. In milde winters zijn vooral in het Waddengebied, op het IJsselmeer en in de Delta soms grote groepen Pijlstaarten te vinden. In strenge winters trekken ze verder naar het Zuiden en naar Afrika. In de Gelderse Poort blijft het meestal bij enkele overwinterende individuen op diverse plassen. Gelukkig waren ze hier ook dit jaar weer te bewonderen. Ze zijn gezien met maximaal 6 mannetjes in de Millingerhof (onduidelijk is of daar ook vrouwtjes bij waren), 6 individuen in de Jezuïtenwaai en in de Kleine Gelderse Waard, 5 individuen in de Hondsbroekse Pleij, en 1 tot 4 vogels op diverse andere wateren (zoals de Oude Waal). Ze zijn er nog maar even, dus geniet ervan zolang het kan.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

Veroveren eekhoorns de Gelderse Poort?

In 2004 werd de eerste eekhoorn in de Gelderse Poort geregistreerd via www.waarneming.nl. Tot 2018 zijn er acht waarnemingen van eekhoorn in het gebied gedaan. De incidentele waarnemingen komen uit de Ooijpolder (4), Duffelt (1), Rijnstrangen (1) en langs de voet van de Stuwwal (2) waar de soort zich voortplant. Een verkeersslachtoffer is aangetroffen op de Kapitteldijk nabij Leuth.  

Vanaf 2018 is er iets bijzonders aan de hand. Uit 47 waarnemingen tot op heden lijkt het dat de eekhoorn zich permanent gevestigd heeft in Kekerdom en omgeving. Rond de Sint Laurentiuskerk in Kekerdom zijn sindsdien twee eekhoornnesten aangetroffen. De nesten waren bekleed met takken en bladeren. Vooral in de eerste jaren werd de eekhoorn veel waargenomen in de pastorietuin. Op 18 september 2020 werd in diezelfde pastorietuin zelfs een volwassen individu met een jong exemplaar gezien. Het bewijs van voortplanting in de Gelderse Poort!  

De meeste waarnemingen in Kekerdom zijn gedaan in de bebouwde kom en in de periode van september tot en met februari. In het dorp is voldoende voedselaanbod doordat inwoners vogels bijvoeren. De eekhoorn pikt daar graag een graantje van mee. Er zijn tuinen waar de eekhoorn dagelijks op bezoek komt.  

Waarnemingen in de voortplantingsperiode zijn beperkt. In de zomerperiode is de range van de eekhoorn mogelijk kleiner of wordt de Millingerwaard in plaats van het dorp als foerageergebied gebruikt. In oude bossen leeft eekhoorn voornamelijk van noten en zaden. Aangezien bomen in de Millingerwaard voornamelijk populieren en wilgen betreffen, bestaat het voedsel in de voortplantingsperiode mogelijk meer uit knoppen, bladeren, bessen, schors, rupsen, vogeleieren en jonge vogels.  

Het is aannemelijk dat de eekhoorn zich heeft verspreid vanaf de Stuwwal (Beek-Ubbergen). Meerdere waarnemingen aan de voet van de Stuwwal laten namelijk zien dat eekhoorns regelmatig de grenzen van het bos opzoeken. Waarnemingen in de Ooijpolder en een verkeersslachtoffer nabij de Ooijse Graaf bevestigen het beeld dat eekhoorn uitzwerft naar noordelijke gronden. Dat er ondanks meerdere verkeersslachtoffers (2) vestiging heeft plaatsgevonden, geeft aan dat de kleine populatie in de Gelderse Poort wordt aangevuld vanuit kerngebieden (waarschijnlijk de Stuwwal).  

Mogelijk dat er in de Gelderse Poort meer gebieden geschikt zijn als leefgebied voor de eekhoorn. Vergelijkbare situaties (bebouwde kom die grenst aan natuurgebieden) zijn bijvoorbeeld te vinden in Ooij. Deze knuffelbare soort kan in ieder geval een warm welkom verwachten. Altijd leuk om een eekhoorn op de voedertafel te zien! 

Auteur: Vincent Sanders

Foto boven: Eekhoorn in de Millingerwaard (Harvey van Diek)

In het dorp Kekerdom verplaatst eekhoorn zich onder andere via daken van woonhuizen (foto: Vincent Sanders)

Foto van de week 7

Parasiet op Kapjesvingermos: Pleospora physciae (foto: Henk-Jan van der Kolk)

Je moet een expert zijn om te weten wat je ziet, maar los daarvan kunnen foto’s gemaakt met de microscoop bijzonder spannende beelden opleveren. Zo ook dit grafische beeld van een bovendien zeer bijzondere vondst die Henk-Jan van der Kolk in de Ooijpolder deed. Hij vond een parasiet op Kapjesvingermos (Physcia adscendens) en microscopisch onderzoek bevestigde dat het gaat om een organisme dat parasiteert op de korstmossenfamilie Physcia. Zo’n organisme leeft en plant zich voort ten koste van het de soort waarop hij leeft, maar doodt zijn gastheer niet.
Ik ben geen expert, dus heb ik me laten voorlichten. Wat we op de foto zien, zijn een beetje gebogen lussen, dat zijn sporenzakjes (asci in wetenschappelijke taal), en in sommige van die zakjes zitten 4-cellige sporen. De vorm van het sporenzakje, het aantal sporen wat ze bevatten, de grootte van de sporen en het aantal cellen waaruit de sporen bestaan, zijn van belang voor een juiste determinatie. En dan kom je hier dus uit op Pleospora physciae.
Volgens de NDFF verspreidingsatlas is deze parasiet alleen bekend van een plaats in Zuid-Limburg (ook gevonden door Henk-Jan overigens). Nu zijn er niet veel mensen die zoeken naar parasieten, waardoor het voorkomen ervan zeer waarschijnlijk onderschat zal zijn. De extra alertheid van experts en andere waarnemers in dit 5000 soortenjaar blijkt, zoals in dit geval, interessante en nieuwe informatie op te leveren over de verspreiding en het voorkomen van soorten, allereerst voor de Gelderse Poort, maar ook voor Nederland in het geheel.
Het toeval wil dat de BLWG op woensdagavond 23 februari een lezing organiseert over parasieten op korstmossen. Kijk in de agenda van www.blwg.nl voor meer informatie en aanmelding voor deelname.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

De een z’n dood is de ander z’n brood

Vorige week zijn een aantal wildcamera’s in de Gelderse Poort opgehangen. Hiermee is het mogelijk om een beeld te krijgen van het verborgen nachtleven en van dieren die zich niet zo snel laten zien. Een van de camera’s was gericht op een dode gans die diezelfde dag ten prooi gevallen was aan een grote buizerd. In de daarop volgende dagen is te zien wie er allemaal nog meer van gans houdt. We zien een kleine muizenfamilie, maar ook rat, das, vos, ree, zanglijster en boommarter. Er zijn gisteren meer wildcamera’s opgehangen op nieuwe locaties. Over twee weken gaan we kijken wat er deze keer voor de camera gelopen is.

Foto van de week 6

Winterakoniet – Eranthis hyemalis (foto: Vincent Sanders)

Naast nieuwe waarnemingen van al bekende soorten zijn er wederom mooie ontdekkingen gedaan deze week. Zeer zeldzame soorten tevens nieuw voor de Gelderse Poort, zoals de nachtvlinder Late meidoornspanner (Theria rupicapraria), en zeldzaamheden al wel bekend uit de regio, zoals de plant Vertakte paardenstaart (Equisetum ramosissimum). Top of the bill is echter een waarneming van een paddenstoel, die zeer waarschijnlijk nieuw is voor Nederland. Hoewel de exacte soort nog niet definitief kon worden vastgesteld, gaat het om een genus dat niet eerder in Nederland is waargenomen, namelijk Morrisographium. Het bestaan van deze familie is pas relatief kort bekend (M. Morelet, 1968) en de waargenomen paddenstoel maakt er zeer waarschijnlijk deel van uit (zie foto hieronder). Waarnemer Erik van Dijk kon de 1 mm grote staafjes op het schors niet thuisbrengen. Het forum bij waarneming.nl gaf geen soelaas, anders dan dat twee andere waarnemers wel eens iets vergelijkbaars hebben gezien, waaraan ze evenmin een naam konden koppelen. Na plaatsing van de (microscopische) foto’s op het forum van Ascofrance (http://www.ascofrance.com) herkende een Canadees de paddenstoel en deelde hij documentatie die zeer sterk lijkt op de waarneming uit Nederland. Welke soort het definitief is, zal nog verder onderzocht worden. Dat kost tijd, maar een prachtige vondst is het nu al.

Om dit heuglijke feit te vieren, kies ik voor een groepje vrolijke bloemen als uitgelichte weekfoto. Anders dan je zou verwachten, heet deze vroege lentebloeier Winterakoniet (Eranthis hyemalis). Het is een zogenoemde stinsenplant, zoals de bollensoorten Bosanemoon, Sneeuwklokje en Wilde hyacint. Stinsenplant is de benaming voor een groep niet-inheemse sierplanten die in de 18e en 19e eeuw werden geïmporteerd door rijke bewoners van stenen huizen (‘stins’ in het Fries) op landgoederen, buitenplaatsen en herenboerderijen. Het was in die tijd mode om de Engelse landschapsstijl rond deze landhuizen te kopiëren. Als deze, meestal uit zuidelijke landen afkomstige, planten zich wisten te handhaven in Nederland, hebben ze zich hier ook verspreid, ofschoon veel originele stinsensoorten nog steeds in en rond de tuinen te vinden zijn waar ze vroeger zijn aangeplant. Winterakoniet verwildert daarentegen gemakkelijker tot buiten de stinsenplaatsen. De plant komt oorspronkelijk uit bergbossen van Zuid-Europa en houdt van een beschaduwde, rijke en vochtige bodem. In Millingen is de soort dan ook op een schaduwrijke plaats aangetroffen.

De nieuwe paddenstoel (foto: Erik van Dijk)

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.