Veroveren eekhoorns de Gelderse Poort?

In 2004 werd de eerste eekhoorn in de Gelderse Poort geregistreerd via www.waarneming.nl. Tot 2018 zijn er acht waarnemingen van eekhoorn in het gebied gedaan. De incidentele waarnemingen komen uit de Ooijpolder (4), Duffelt (1), Rijnstrangen (1) en langs de voet van de Stuwwal (2) waar de soort zich voortplant. Een verkeersslachtoffer is aangetroffen op de Kapitteldijk nabij Leuth.  

Vanaf 2018 is er iets bijzonders aan de hand. Uit 47 waarnemingen tot op heden lijkt het dat de eekhoorn zich permanent gevestigd heeft in Kekerdom en omgeving. Rond de Sint Laurentiuskerk in Kekerdom zijn sindsdien twee eekhoornnesten aangetroffen. De nesten waren bekleed met takken en bladeren. Vooral in de eerste jaren werd de eekhoorn veel waargenomen in de pastorietuin. Op 18 september 2020 werd in diezelfde pastorietuin zelfs een volwassen individu met een jong exemplaar gezien. Het bewijs van voortplanting in de Gelderse Poort!  

De meeste waarnemingen in Kekerdom zijn gedaan in de bebouwde kom en in de periode van september tot en met februari. In het dorp is voldoende voedselaanbod doordat inwoners vogels bijvoeren. De eekhoorn pikt daar graag een graantje van mee. Er zijn tuinen waar de eekhoorn dagelijks op bezoek komt.  

Waarnemingen in de voortplantingsperiode zijn beperkt. In de zomerperiode is de range van de eekhoorn mogelijk kleiner of wordt de Millingerwaard in plaats van het dorp als foerageergebied gebruikt. In oude bossen leeft eekhoorn voornamelijk van noten en zaden. Aangezien bomen in de Millingerwaard voornamelijk populieren en wilgen betreffen, bestaat het voedsel in de voortplantingsperiode mogelijk meer uit knoppen, bladeren, bessen, schors, rupsen, vogeleieren en jonge vogels.  

Het is aannemelijk dat de eekhoorn zich heeft verspreid vanaf de Stuwwal (Beek-Ubbergen). Meerdere waarnemingen aan de voet van de Stuwwal laten namelijk zien dat eekhoorns regelmatig de grenzen van het bos opzoeken. Waarnemingen in de Ooijpolder en een verkeersslachtoffer nabij de Ooijse Graaf bevestigen het beeld dat eekhoorn uitzwerft naar noordelijke gronden. Dat er ondanks meerdere verkeersslachtoffers (2) vestiging heeft plaatsgevonden, geeft aan dat de kleine populatie in de Gelderse Poort wordt aangevuld vanuit kerngebieden (waarschijnlijk de Stuwwal).  

Mogelijk dat er in de Gelderse Poort meer gebieden geschikt zijn als leefgebied voor de eekhoorn. Vergelijkbare situaties (bebouwde kom die grenst aan natuurgebieden) zijn bijvoorbeeld te vinden in Ooij. Deze knuffelbare soort kan in ieder geval een warm welkom verwachten. Altijd leuk om een eekhoorn op de voedertafel te zien! 

Auteur: Vincent Sanders

Foto boven: Eekhoorn in de Millingerwaard (Harvey van Diek)

In het dorp Kekerdom verplaatst eekhoorn zich onder andere via daken van woonhuizen (foto: Vincent Sanders)

Foto van de week 7

Parasiet op Kapjesvingermos: Pleospora physciae (foto: Henk-Jan van der Kolk)

Je moet een expert zijn om te weten wat je ziet, maar los daarvan kunnen foto’s gemaakt met de microscoop bijzonder spannende beelden opleveren. Zo ook dit grafische beeld van een bovendien zeer bijzondere vondst die Henk-Jan van der Kolk in de Ooijpolder deed. Hij vond een parasiet op Kapjesvingermos (Physcia adscendens) en microscopisch onderzoek bevestigde dat het gaat om een organisme dat parasiteert op de korstmossenfamilie Physcia. Zo’n organisme leeft en plant zich voort ten koste van het de soort waarop hij leeft, maar doodt zijn gastheer niet.
Ik ben geen expert, dus heb ik me laten voorlichten. Wat we op de foto zien, zijn een beetje gebogen lussen, dat zijn sporenzakjes (asci in wetenschappelijke taal), en in sommige van die zakjes zitten 4-cellige sporen. De vorm van het sporenzakje, het aantal sporen wat ze bevatten, de grootte van de sporen en het aantal cellen waaruit de sporen bestaan, zijn van belang voor een juiste determinatie. En dan kom je hier dus uit op Pleospora physciae.
Volgens de NDFF verspreidingsatlas is deze parasiet alleen bekend van een plaats in Zuid-Limburg (ook gevonden door Henk-Jan overigens). Nu zijn er niet veel mensen die zoeken naar parasieten, waardoor het voorkomen ervan zeer waarschijnlijk onderschat zal zijn. De extra alertheid van experts en andere waarnemers in dit 5000 soortenjaar blijkt, zoals in dit geval, interessante en nieuwe informatie op te leveren over de verspreiding en het voorkomen van soorten, allereerst voor de Gelderse Poort, maar ook voor Nederland in het geheel.
Het toeval wil dat de BLWG op woensdagavond 23 februari een lezing organiseert over parasieten op korstmossen. Kijk in de agenda van www.blwg.nl voor meer informatie en aanmelding voor deelname.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

De een z’n dood is de ander z’n brood

Vorige week zijn een aantal wildcamera’s in de Gelderse Poort opgehangen. Hiermee is het mogelijk om een beeld te krijgen van het verborgen nachtleven en van dieren die zich niet zo snel laten zien. Een van de camera’s was gericht op een dode gans die diezelfde dag ten prooi gevallen was aan een grote buizerd. In de daarop volgende dagen is te zien wie er allemaal nog meer van gans houdt. We zien een kleine muizenfamilie, maar ook rat, das, vos, ree, zanglijster en boommarter. Er zijn gisteren meer wildcamera’s opgehangen op nieuwe locaties. Over twee weken gaan we kijken wat er deze keer voor de camera gelopen is.

Foto van de week 6

Winterakoniet – Eranthis hyemalis (foto: Vincent Sanders)

Naast nieuwe waarnemingen van al bekende soorten zijn er wederom mooie ontdekkingen gedaan deze week. Zeer zeldzame soorten tevens nieuw voor de Gelderse Poort, zoals de nachtvlinder Late meidoornspanner (Theria rupicapraria), en zeldzaamheden al wel bekend uit de regio, zoals de plant Vertakte paardenstaart (Equisetum ramosissimum). Top of the bill is echter een waarneming van een paddenstoel, die zeer waarschijnlijk nieuw is voor Nederland. Hoewel de exacte soort nog niet definitief kon worden vastgesteld, gaat het om een genus dat niet eerder in Nederland is waargenomen, namelijk Morrisographium. Het bestaan van deze familie is pas relatief kort bekend (M. Morelet, 1968) en de waargenomen paddenstoel maakt er zeer waarschijnlijk deel van uit (zie foto hieronder). Waarnemer Erik van Dijk kon de 1 mm grote staafjes op het schors niet thuisbrengen. Het forum bij waarneming.nl gaf geen soelaas, anders dan dat twee andere waarnemers wel eens iets vergelijkbaars hebben gezien, waaraan ze evenmin een naam konden koppelen. Na plaatsing van de (microscopische) foto’s op het forum van Ascofrance (http://www.ascofrance.com) herkende een Canadees de paddenstoel en deelde hij documentatie die zeer sterk lijkt op de waarneming uit Nederland. Welke soort het definitief is, zal nog verder onderzocht worden. Dat kost tijd, maar een prachtige vondst is het nu al.

Om dit heuglijke feit te vieren, kies ik voor een groepje vrolijke bloemen als uitgelichte weekfoto. Anders dan je zou verwachten, heet deze vroege lentebloeier Winterakoniet (Eranthis hyemalis). Het is een zogenoemde stinsenplant, zoals de bollensoorten Bosanemoon, Sneeuwklokje en Wilde hyacint. Stinsenplant is de benaming voor een groep niet-inheemse sierplanten die in de 18e en 19e eeuw werden geïmporteerd door rijke bewoners van stenen huizen (‘stins’ in het Fries) op landgoederen, buitenplaatsen en herenboerderijen. Het was in die tijd mode om de Engelse landschapsstijl rond deze landhuizen te kopiëren. Als deze, meestal uit zuidelijke landen afkomstige, planten zich wisten te handhaven in Nederland, hebben ze zich hier ook verspreid, ofschoon veel originele stinsensoorten nog steeds in en rond de tuinen te vinden zijn waar ze vroeger zijn aangeplant. Winterakoniet verwildert daarentegen gemakkelijker tot buiten de stinsenplaatsen. De plant komt oorspronkelijk uit bergbossen van Zuid-Europa en houdt van een beschaduwde, rijke en vochtige bodem. In Millingen is de soort dan ook op een schaduwrijke plaats aangetroffen.

De nieuwe paddenstoel (foto: Erik van Dijk)

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

De Glanzende Houtmier (Lasius fuliginosus)

De Glanzende houtmier is een sterk glanzende, zwarte, vrij grote mier met een aangename citroenlucht. Kenmerkend voor de soort is dat het achterhoofd uitgehold is. De mier leeft op en rond bomen. Ze gebruiken vaak jarenlang hetzelfde geurspoor op de bast van de boom om naar boven te lopen. Het nest van de mier wordt in een boom uitgeknaagd en ook jarenlang gebruikt. De uitgeknaagde gangen worden met honingdauw (melk van luizen) besmeerd. De luizenmelk bevat suikers die voeding zijn voor een schimmel, Cladosporium myrmecophilum, die alleen voorkomt in de nesten van deze mier. De schimmel vormt een netwerk van schimmeldraden. Uiteindelijk drogen die op, waardoor de wanden van de gangen verharden en een soort gewapende betonconstructie vormen. De mieren eten niet van de schimmel, maar ze onderhouden die voor hun veiligheid en een stevig nest.

Het belangrijkste voedsel van de Glanzende houtmier is de al genoemde honingdauw. Dit zoete sapje dat luizen uitscheiden, halen ze bij schorsluizen waarmee de mier een symbiose heeft. Een symbiose is een langdurig samenleven van tenminste twee organismen van verschillende soorten, waarbij de samenleving voor tenminste één van de organismen gunstig of zelfs noodzakelijk is. De luizen worden in ‘ruil’ voor hun melk beschermd door de mieren. Veel soorten mieren ‘melken’ luizen. Dat levert vaak conflicten op tussen verschillende soorten mieren, maar die worden bijna altijd door de Glanzende houtmier gewonnen. Omdat Rode bosmieren alleen bij daglicht foerageren en Glanzende houtmieren ook in het donker, komen overdag weggejaagde Glanzende houtmieren ’s nachts gewoon terug naar ‘hun luizenboom’ en nemen het weer over.

Deze soort kent een wijde verspreiding binnen de Gelderse Poort, Meinerswijk, Rijnstrangen, Millingerwaard, Groenlanden en nog een paar plekken in de Ooijpolder. Maar het zijn slechts 27 waarnemingen van de soort in waarneming.nl binnen de Gelderse Poort. Wellicht wordt er dit soortenjaar ook meer naar mieren gekeken en krijgen we zo een beter beeld waar bepaalde soorten mieren zitten.

Auteur: Peter Hoppenbrouwers

Glanzende houtmier – Foto: Peter Hoppenbrouwers

Getagd:

Foto van week 5

Blauwe Kiekendief – Circus cyanus (foto: Maarten Bouwman)

Helaas is deze mooie vrouw Blauwe Kiekendief in vrijwel heel Nederland alleen nog maar een wintervogel die jaagt over akkers, heide en weilanden die rijk zijn aan muizen. In de zomer broedden nog enkele paren op de Wadden en Oost-Groningen.
In de Gelderse Poort zijn Blauwe Kiekendieven maar zelden langdurig aanwezig. Het betreft vooral doortrekkende exemplaren op zoek naar aantrekkelijke foerageergebieden in de winter en exemplaren die op trek gezien worden.
Gelukkig zijn ze gedurende de winter met enige regelmaat gezien.

De Blauwe Kiekendief is één van 21 soorten roofvogels die in de Gelderse poort gezien zijn. In 2022 zullen we niet al deze soorten langs zien komen, maar hopen op een nieuwe waarneming van de Vale Gier, Grijze Wouw en Steenarend kunnen we natuurlijk wel.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

Januari: De kop is eraf!

Brandnetelvulkaantje – Leptosphaeria acuta (foto: Erik van Dijk)

Van Huismus tot Zeearend, van Europese Haas tot Otter, Grote Brandnetel tot Bijenorchis ze zijn allemaal al gemeld in de eerste weken van het jaar. En het Brandnetelvulkaantje dat op de omslag staat.

Aantallen

In één kalenderjaar 5000 soorten zien in de Gelderse Poort. Geen bossen, geen steden, geen kust en geen pleistocene zandgrond. Een enorme uitdaging dus. In januari gingen we meteen hard van start. Op 1 januari waren de eerste 476 soorten al binnen! Bijna 10% van het doel. Acht dagen later op 9 januari werd de eerste mijlpaal van 1000 soorten bereikt, maar toen was het laaghangend fruit van de winter wel geoogst. In de resterende 21 dagen van januari werden nog 344 soorten toegevoegd tot een aantal van liefst 1344 soorten. Dit is 27% van het streven van 5000 soorten. 

Dit artikel is een tussenstand. Waarnemers hebben enerzijds nog talloze foto’s met mogelijk nieuwe soorten en anderzijds zijn onvermijdelijk niet alle determinaties juist. Kortom de aantallen voor januari gaan de komende tijd nog een beetje schuiven, zowel omhoog als omlaag.

Nieuwe soorten voor de Gelderse Poort

In totaal werden 123 nieuwe soorten voor de Gelderse Poort gemeld in januari.  Een vleermuizentelling in een winterverblijf in de Groenlanden leverde eerste gemelde Franjestaart op. Jochem Kühnen vond een bladluis, Aulacorthum palustre bij het Wylerbergermeer. Deze soort werd nog nooit in Waarneming.nl gemeld.

Een drukbezochte (korst)mossenexcursie met de BLWG leverde tal van nieuwe korstmossoorten op met bijzondere namen als Vierde Cementkorst, Rommelig Olievlekje of Mosvreter. Daarnaast verschillende zeldzaamheden in opkomst door de opwarming van ons klimaat als Rood Schorsvlekje, Lipschaduwmos en Zonneklepjesmos. André Geelhoed vond bij Aerdt één exemplaar Purper Geweimos en Erik van Dijk vond een prachtige groeiplek van Wimpermos met 5 plukjes op een Es langs het Meertje. Beide korstmossen zijn overvloedig aanwezig in schone Alpenbossen, maar toch ook nog te vinden in de intensief gebruikte polders.  

Figuur 1 geeft de verdeling weer voor van de nieuwe soorten in de Gelderse Poort in januari. 

Figuur 1: Verdeling nieuwe soorten voor GP

Verdeling over soortgroepen

In januari is het winter en veel soortgroepen laten zich maar beperkt of helemaal niet zien. Dit zorgt ervoor dat de aandacht vooral uitgaat naar soortgroepen die in de winter ook goed te bekijken zijn. Dat in de winter veel naar mossen en korstmossen gekeken wordt is bekend, maar ook van veel plantensoorten zijn nog exemplaren te vinden.  Naast mossen en korstmossen is de winterperiode ook een goede periode voor het zoeken naar weekdieren en geleedpotigen. Figuur 2 geeft de verdeling weer voor wat gezien in januari.

Figuur 2 Verdeling waargenomen soorten

Op naar de 5000!

Om 5000 soorten te zien moeten we 75% van de ooit gemelde soorten zien in 2022. Figuur 3 laat zien welk deel van de soorten bij een soortgroep al gezien zijn. Vanzelfsprekend is dit percentage bij vlinders, sprinkhanen en libellen heel laag. Bij mossen en korstmossen en ook zoogdieren is echter al een groot deel van de buit binnen.  Tot medio maart zal de aandacht ongeveer hetzelfde blijven. Daarna als het voorjaar vaart krijgt, zal de focus snel verschuiven en zullen andere soortgroepen zich aandienen.

Figuur 3 Aandeel per soortgroep al gezien

Beestjes tellen in poep en dode dieren, álles voor de wetenschap

Omroep Gelderland doet op de radio verslag van het soortenjaar. Specialisten Aglaia Bouma en Jan Wieringa gaan op zoek naar insecten onder een dode ree, in uitwerpselen en in mollennesten. Luister en lees verder via onderstaande link.

https://www.gld.nl/nieuws/7539908/beestjes-tellen-in-poep-en-dode-dieren-alles-voor-de-wetenschap

Foto: Omroep Gelderland. Aglaia Bouma en Jan Wieringa zoeken naar insecten in uitwerpselen

Foto van de week 4

Psychoda spec – Onno Zwikken

Als je met je loep en macrolens dicht op mossen, korstmossen of planten zit, zoals velen de afgelopen weken deden, vind je daar ook allerlei kleine beestjes. Wie de website regelmatig bezoekt, ziet dan ook grappige springstaartjes, veelkleurige kevertjes, spinnetjes en zo nog het een en ander voorbijkomen. Jochem Kühnen voegde daar deze week veel moois aan toe, met prachtige macro opnames. Kijk maar eens naar zijn waarnemingen van het Mosschorpioentje (Neobisisum carcinoides), de Zwarte waterspringstaart (Podura aquatica) en van een Aulacorthum palustre, alle van 23 januari. De laatstgenoemde is een bladluis, wellicht een minder aansprekend beestje, maar als de determinatie wordt goedgekeurd, is het de allereerste gedocumenteerde van deze soort ooit op Waarneming.nl. Dat maakt hem wel bijzonder.

Eén foto van zo’n klein beestje springt er echt uit. Het gaat om een foto van een Psychoda, gemaakt door Onno Zwikken (Onno Z), ook op 23 januari. Psychoda’s behoren tot de familie van de motmuggen (Psychodidae). Oké, zie ik u denken, en wat mag dat dan wel zijn? Motmuggen, de naam zegt het eigenlijk al, zijn mugjes die wel wat weg hebben van een motje. Ze zijn ongeveer 4 mm groot, vrijwel even breed als lang, en hebben in tegenstelling tot motten slechts twee vleugels, harige vleugels ook. In Nederland leven circa 40 soorten motmuggen, waarvan zo’n 15 sterk gelijkende in het genus Psychoda. Motmuggen leven van bacteriën en schimmels op allerlei afval, waaronder het afvoerputje in badkamers. De meest algemene soort in huizen is Clogmia albipunctata (ook wel eens wc-motmug genoemd).
De vleugeltekening en beadering zijn, naast andere kenmerken, belangrijk voor determinatie, maar daarvoor is het beestje op de foto helaas niet gedetailleerd genoeg. Maar een mooi plaatje blijft het.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.

Foto van de week 3

Leucochloridium paradoxum op Gewone Barnsteenslak (Succinea putris) – (foto: Vincent Sanders)

Twee ‘vliegen’ in een klap deze keer. Een barnsteenslak (Succinea putris) met zichtbaar daarin een parasitaire platworm (Leucochloridium paradoxum). Op zoek naar informatie over deze mij onbekende worm, ontdekte ik dat de soort een interessante, maar gemene leefwijze heeft. De L. paradoxum blijkt een parasiet van twee diersoorten. De volwassen platworm leeft in de cloaca van vogels (primaire gastheer). Eieren van de worm komen via de uitwerpselen van de vogel terecht op de oevers van zoetwater, waar de uitgekomen, zwemmende larven de in die biotoop levende barnsteenslakken infecteren (intermediaire gastheer). De larven ontwikkelen zich in de slak via ongeslachtelijke voortplanting tot zogenoemde cercariën, die langwerpige organen met gekleurde ringen vormen (sporocysten), waarmee ze een of beide tentakels van de slak volledig vullen. De slak kan de tentakels dan niet meer intrekken. Op de foto is dit proces zichtbaar aan de rechtertentakel. De sporocysten maken pulserende bewegingen in de aangetaste en nu op een rups lijkende tentakel, wat de aandacht van rupsen etende vogels trekt. Als een vogel de tentakel daadwerkelijk opeet, komt de parasiet precies waar hij wil wezen. In de cloaca van de vogel groeit hij vervolgens uit tot een volwassen platworm die eieren legt die de vogel uitpoept, waarmee de cyclus weer van vooraf aan kan beginnen (bron: Wikipedia).

De teller van het aantal waargenomen soorten in de Gelderse Poort staat nu op bijna 1200 (23% van het doelaantal). Zoals verwacht, gaat het nu minder snel dan in de eerste weken. Het is wachten op het ontluiken van de natuur in de lente, maar toch vinden enthousiaste waarnemers nog elke dag nieuwe planten en beestjes voor de lijst. Ook deze week zijn er, naast de foto van de week, bijzondere vondsten gedaan en zijn er mooie foto’s van gemaakt. Zie onder meer de waarneming van de zeer zeldzame Zuidelijke schorsloper (Colodromius bifasciatus) en de foto’s van het mooie Australische composietenroest (Puccinia lagenophorae). Beide op 16 januari gevonden en gefotografeerd door André Geelhoed.

Klik op deze link om te zien hoeveel en welke waarnemingen er al zijn gedaan in het 5000-soortenjaar.

Klik op deze link voor een overzicht van alle foto’s van de week.